Er was eens een ontevreden klein meneertje. Dat meneertje heette Liber Aal. Dat mannetje was niet zo heel erg gelukkig. Hij kreeg weinig aandacht van de mensen om hem heen en werd vaak voor lastig ventje en zeurmeneertje uitgemaakt. Op een dag besloot Liber Aal dat hij zo niet verder wilde. Hij wilde positieve aandacht krijgen en gelukkig zijn. Hij wilde graag dat de mensen hem voor vol aanzagen en gingen geloven in waar hij voor stond. Hij had immers het beste voor met de mensen om hem heen. Liber Aal zat op een avond aan zijn keukentafel met een schrijfblok voor hem. Om de paar minuten ging zijn vuistje de lucht in en riep hij: “Hoezee, ik heb een idee!” Hij schreef zijn idee op, las het nog eens na en verfrommelde het om het vervolgens in de overvolle prullenbak te gooien. Hij bedacht allerlei dingen om meer geliefd te geraken. Eerst bedacht hij dat hij het goedschiks wilde doen. Lieve dingen roepen tegen de grote mensen om hem heen. Vertellen dat hij het beter ging maken voor minderheden om hem heen. Al die ideeën belanden in de prullenbak, hij kon het toch niet waarmaken vertelde het stemmetje in zijn hoofd. Hij herinnerde zich een uitdrukking. Als het niet goedschiks kan, dan maar kwaadschiks. En zo geschiedde het dat Liber Aal de lieve dingen uit zijn hoofd zette en zich richtte op snode plannetjes. Hij maakte een verhaaltje over ene Geert W. Hij wilde Geert W. keihard onderuit halen waardoor hij automatisch de betere leek. Ook dit plannetje wierp hij richting de prullenbak. Hij wist dat hij niet de moed bezat om dit plannetje uit te voeren. Dikke tranen rolden over zijn ietwat te magere wangetjes. Hij huilde tranen met tuiten en belde vervolgens zijn moeder. Liber Aal kreeg geen gehoor. Nog dikkere tranen rolden over zijn wangen. Wat dit betreft leek hij wel een beetje op Jan-Peter B, heel stiekem voelde hij van binnen enig verwantschap met deze meneer. Al denkende aan Jan-Peter voelde hij een prettige spanning in zijn onderbuik. Dat brilletje, die ondeugdelijke oogjes. De spanning in zijn buik nam toen en hij voelde dat onderdelen aan zijn lijf hierop reageerden. Zijn kleine LiberAaltje stak fier omhoog. En ineens riep hij: “Hoezee, ik heb een idee!” Hij bundelde zijn gevoel voor Jan-Peter, zijn behoefte om meer aanzien te krijgen in de grote mensen wereld en zijn kleine LiberAaltje tot een idee. Hij sloeg zichzelf tegen zijn hoofd en vond het maar stom dat hij het niet eerder had bedacht. Liber Aal was zielsgelukkig. Hij, off all people, had iets bedacht. De grote mensen om hem heen zouden trots zijn. Hij zette het als volgt op papier:
Condooms.
Liber Aal wilde condooms gaan uitdelen. Hij begreep zelf nog niet zo heel erg goed waarom, maar hij kwam er wel op als mensen het aan hem zouden vragen. Bij condooms denk je aan seks, seks is fijn, hij zou eigenhandig de condooms uitdelen waardoor mensen een fijn gevoel bij hem zouden krijgen. En misschien mocht hij zijn Liberaaltje nog wel ergens inparkeren. Het liefst in Jan-Peter B natuurlijk. Zo was zijn gedachtengang. Hij begreep er zelf ook niet veel van. Maar het was zeker een goed idee.
Na een tiental soa’s en ongewenste zwangerschappen verder werd Liber Aal nog harder uitgekotst dan voorheen. Hij was even vergeten dat hele goedkope condooms uit een ontwikkelingsland niet garant staan voor veiligheid.
Hij had iedereen genaaid.
@




